Niet
langer dan
een ademtocht,
lang is dat niet,
kijk maar,
ik deed het weer,
zo lang al hou ik van je.
en dan niet zomaar even,
nee,
de hele tijd als nu,
en nu,
en verder nog,
mijn hele leven.
Naar:
‘Kort’ van Bart Moeyaert
Klein boontje, zo noemen
we jou. Weinig origineel is dat, want ook je broertje en je zusje kregen die
naam bij mama in de buik. Maar zo zien wij het weer, een klein wezentje,
friemelend waterdiertje, zalig geborgen in mijn buik. Zwanger zijn, met een
kleuter en een peuter in huis en een voltijdse baan, een combinatie die niet
altijd even eenvoudig is. Goed dat die buik vanzelf groeit en groeit en dat de
zwangerschap – gelukkig maar – alweer vlekkeloos verloopt. En toch… toch
geniet ik heel erg van deze prachtige periode, van dat wonderlijke gebeuren, zo
fantastisch om dit weer te mogen meemaken. En dat niet alleen vanuit het besef
dat dit misschien, hoogstwaarschijnlijk wel de laatste keer zal zijn… Het is
een periode van uitkijken naar en dromen, over wie dat kleintje gaat worden, hoe
dat allemaal weer zal zijn, hoe zullen Korneel en Anna reageren, hoe het leven
met vijf eruit zal zien… En ook heel erg dromen over de bevalling,… thuis,
dat hopen we heel erg. Het was lange tijd een stille droom maar nu een gebeuren
waar we in volle vertrouwen naar toe groeien.
Maandag
31 maart, eerste dag van m’n zwangerschapsverlof en dat mocht wel, de voorbije
weken waren intensief en druk. Rust en tijd om tot rust te komen na een periode
waarin ik, en de kleine baby in mijn buik samen met mij, voor hele mooie maar
ook de meeste moeilijke momenten in m’n leven tot nu toe kwamen te staan. Eind
februari werd ik dertig en Koen had in alle stilte de organisatie van die dag op
zich genomen. ‘De jongens mogen niet meekomen hé’, verklapte Korneel: een
vrouwendag. Samen met de tien belangrijkste vrouwen uit mijn leven beleefde ik
een ontzettend gezellige en hartverwarmende dag. Nog dagen nadien geniet ik na,
vooral van de brieven die elk van hen voor mij hadden gemaakt en voorgelezen.
De
schok is daarom des te groter wanneer amper anderhalve week later één van die
vrouwen, mijn hartsvriendin Sabien, uit het leven stapt. Gevoelens van complete
ontreddering en het haast ondraaglijke besef dat dit onomkeerbaar is. Het is
onwezenlijk wanneer ik op mijn beurt een brief voor Sabien lees op haar
afscheid. Mét dikke buik, wat het nog moeilijker maakt want heel deze ellende
hangt zo nauw samen met zwangerschap en geboorte. Ik ben er mij heel erg van
bewust dat al dit verdriet ook door klein boontje gaat. Ik probeer hem zoveel
mogelijk te koesteren en te beschermen, maar weet ook dat dit kleine mensje daar
best wel mee kan omgaan.
Werken
leidt af en dat blijkt ook zo te zijn. Nog enkele weken voor de opening van de
tentoonstelling ‘Brugge in de verf’ en het is alle hens aan dek. Vooral de
laatste week van de eigenlijke opbouw is ook fysiek erg lastig. De opening is
dan ook voor mij en mijn buik een laatste inspanning.
En
er is nog goed nieuws: de lente hangt in het land. Aanvankelijk hoop ik vooral
nog niet te bevallen, er is nog zoveel te doen en te regelen. En te genieten
ook, rustig ontbijt met de krant, een dutje in de zon, de kindjes ophalen aan
school en langs het speelplein,… En ik ben ook nog zo heerlijk fit, nog volop
aan het fietsen, zelfs met gevulde fietskar achter me aan. Ik heb me ingesteld
op veertig weken zwangerschap, dat was ook de vorige keren zo. Het weekend van
19 en 20 april dus. De dagen ervoor en erna worden een periode waarin ik me
ontzettend bewust ben van mijn hele lichaam. Alles wat ik voel of denk te voelen
wordt met de grootste aandacht waargenomen. Op zaterdagavond meen ik echt wel
regelmatig opkomende weeën te voelen. Korneel en Anna liggen in bed dus ga ik
maar alleen een wandeling maken. Ik bel zelfs met Marieke, dat er misschien wel
iets op komst zal zijn voor vannacht. Ze raadt ons aan te gaan slapen en te
profiteren van extra rust. Het zijn kindjes die al zelf uit bed kunnen kruipen
en luid ‘mama’ kunnen roepen die ons wekken op zondagmorgen.
Dat
scenario van ‘misschien wel iets voelen’, gaan slapen en ’s morgens wakker
worden met een volledig ontspannen lichaam, herhaalt zich de hele week. En
terwijl de weken ervoor er nogal wat dagen waren waarop ik van Koen om allerlei
redenen (vergaderingen, uitstappen, sollicitatie…) niet mocht bevallen, moet
hij in ‘week 40’ elke morgen gelaten beslissen om dan toch maar weer te gaan
werken. Steevast begeleid door mijn vraag ‘of hij toch wel zeker z’n gsm mee
heeft’.
Ik
lig wel elke nacht toch even wakker en heb dus tijd genoeg om te ‘voelen’
(of niet te voelen) en na te denken. Ik zit helemaal niet in met de bevalling
alleen het idee dat we de twee kids niet op tijd buiten het plaatje kunnen
krijgen, maakt me onrustig. En wanneer zal die baby nu toch komen? 21 april, dat
heb ik altijd al een mooie datum gevonden of neen, het wordt wel 23 april,
wereldboekendag, waarop Koen en ik al jaren een boek en een roos aan elkaar
geven (volgens een oude Catalaanse traditie), of misschien wel 25 april, op de
naamdag van ‘peter Marc’, of toch niet nog zolang wachten, tot 26 april,
mijn naamdag…?
Alle
middelen worden uit de kast gehaald, tips gevonden door Koen op internet of
gekregen van Jan en alleman… Veel gaan wandelen (wat ik ook doe, met nogal
vaak ijssalon Da Vinci op m’n route), verse ananas eten, champagne met
aardbeien, dranken met kinine in, een heet bad, vrijen… ‘En, wat voel je’,
vraagt Koen geregeld. Maar ik weet bij God soms niet meer wat ik moet voelen!?
Hoewel ik eigenlijk wel besef dat wanneer het echt begonnen is, ik dat
uiteindelijk wel zal herkennen en weten. Het onderzoek bij Niek op woensdag
levert geen verder ingedaalde baby op en geen opening. Maar wel heldere,
ritmische harttoontjes, klein boontje vindt het gewoon veel te leuk bij mij in
de buik. Hoewel ik mezelf verbied om te ongeduldig, ongerust of neerslachtig te
worden – ik heb er geen enkele reden voor, wat zijn ocharme een paar dagen
langer wachten?! – toch kan ik het soms niet onderdrukken. Ik begin dan ook zo
te verlangen naar onze baby, ook een heel erg fysiek gevoel, ik wil gewoon ons
kindje in m’n armen, aanraken, ruiken, horen, zien… Dit is tegelijk een zo
gewone en toch zo bevreemdende week.
Korneel
gaat op dinsdag met de trein mee met opa naar Diksmuide, Anna twee dagen later.
Op vrijdag rij ik naar Hooglede, ik wil het graf van Sabien bezoeken, misschien
moet ik dat wel nog doen. Ik grijp enkele keitjes mee en tel er… vijf.
Het
wordt een zotte avond. Koen maakt heerlijke pizza en bakt een groot suikerbrood.
We gaan een lange wandeling maken en komen met een ijsje in de hand uit aan de
feeërieke gevel van het nieuwe ‘Prinsenhof’-hotel. Een vriendelijke portier
laat ons zelf een kijkje binnenin nemen. ‘Veel geluk met de baby’…
‘Dankjewel’. Of we nog eens langs de kermis op ’t Zand lopen. Misschien
maakt dat schreeuwlelijke lawaai dat de baby naar buiten wil komen? O jee.
Die
nacht kom ik rond 2 uur wakker. En ik kan het niet helpen, maar er overvalt mij
een gevoel van wanhoop. Ik word mij ineens zo bewust van wat dit moet geweest
zijn voor Sabien om veertien dagen extra te moeten wachten op haar kindje,
terwijl het dan toch nog fout loopt. Ik moet denken aan de goedbedoelde
ongerustheid van m’n moeder en zus. Of ik toch beter niet naar de gynaecoloog
zou gaan, toch al een week over tijd? Er zijn nu al vier van de luttele vijftien
weken zwangerschapsverlof voorbij. En ik denk aan morgen, Sofie van wacht in
plaats van Marieke, wat mij eigenlijk ook wel een beetje onrustig maakt. [Sorry
Sofie, dit overviel mij, onterecht, dat weet ik.] En toch bel ik haar morgen op,
want ik wil de harttoontjes nog eens horen. En ik ben boos op mezelf om dat
alles, maar ik voel alle vertrouwen uit me wegvloeien en kan de tranen niet
onderdrukken. Ik moet uiteindelijk behoorlijk snel weer in slaap zijn gevallen
en kom opnieuw rond zes uur wakker. Ik
voel wel iets – alweer – maar vooral ben ik weer helemaal rustig en zie ik
het weer zitten. Meer nog, ik wil zelfs vandaag bevallen. We vallen allebei weer
in slaap en worden zowaar pas om negen uur weer wakker!!
Ik
moet de weeën nog niet echt opvangen maar voel althans dat ze van een andere
intensiteit zijn dan alle voorweeën die ik in de afgelopen weken had. Ik moet
alsmaar naar ’t WC en verlies ook de slijmprop. Koen moet lachen wanneer ik
zeg dat ik denk dat het begonnen is… Datzelfde zeg ik ook aan Sofie. Driekwart
uur later, rond 11 uur is ze bij ons. ‘k Voel mij een beetje belachelijk want
ineens voel ik zo goed als niks meer. En toch blijf ik er wel in geloven dat het
dit keer echt is. Euforie dan ook wanneer Sofie al 5 cm opening meldt! En vooral
voel ik dat het goed zit met haar. Al kan ik het toch niet laten te vragen toch
op tijd Niek te waarschuwen. Wat ze al gedaan heeft. Ok!
Ik
voel mij echt goed, ontspannen en opgewonden tegelijk. En het ziet er ook echt
wel naar uit dat we thuis zullen bevallen, waar we ontzettend gelukkig om zijn.
Het geeft wel een beetje een gek gevoel: we staan voor de geboorte van ons
kindje en toch voelt alles zo ‘gewoon’ aan. We blijven waar we ons zo goed
voelen, in ons eigen huis en toch voel ik tegelijk een soort
‘vakantiegevoel’. Zonder dat van mekaar te moeten horen, beslissen we een
wandeling te maken. Langs de vesten, richting molens, door het Gezellekwartier.
Het zonnetje in de rug doet deugd en ik voel stilaan de weeën weer opkomen. Zo
om de vijf minuten, eentje heviger, eentje zachter. Eigenlijk fantastisch, wij
twee en klein boontje en ons geheim dat ons derde kindje straks bij ons gaat
zijn.
Rond
kwart voor één zijn we weer thuis. En nu is het goed begonnen. Ik probeer nog
even of wat lezen tussenin nog lukt, maar nee, ‘k moet mij nu echt wel
concentreren. Al snel vind ik in het blauwstenen aanrecht van de keuken mijn
ideale compagnon. Ik heb een beetje te doen met Koen. Hij loopt er zo wat
verloren bij. Bij de vorige twee bevallingen had ik hem en zijn handen nodig als
steun. Maar ik voel me gewoon goed zo op mezelf. Bij iedere wee denk ik:
‘komaan, open gaan, daaronder’ en ‘goed zo, kleintje, kom maar, zak
maar’… Koen vraagt al een paar
keer of ik toch niet beter Sofie bel. Rond tien voor twee vraag ik of hij haar
zelf wil opbellen.
Sofie
komt, samen met de stagiaire Helma. Het onderzoek is al ferm vervelend maar het
nieuws des te leuker: 8 cm. Even later hoor ik Niek binnenkomen: ‘Zo’n mooi
weer, fantastisch hé’. Grappig, het klinkt of hij zelf zin heeft om te
bevallen. En Marieke komt ook: ‘Het ganse team voor jou, Aleid’. Ondertussen
neemt Koen de notitie in jouw schriftje, klein boontje, over. Ik lees: ’14.50
– al 24°C’. En ook over de baarkruk: ‘Niet meer dan vier simpele planken
waar Niek heel fier op is.’ Gelukkig valt het deze keer niet stil,
integendeel. De weeën komen korter en heviger. Ik durf mij al even afvragen of
het nog lang zou duren… Het wordt een beetje lastiger. Sofie leest m’n
gedachten en stelt voor te onderzoeken. Rond 15u: zo goed als volledige
ontsluiting, maar met een boortje. Dat klinkt me niet leuk in de oren, dat had
ik ook bij de bevalling van Korneel. Maar ik blijf rustig en probeer gewoon
verder te denken aan volledige opening en de baby die moet komen. Het onderzoek
maakt wel dat het nu wel heel hevig wordt. Marieke zegt dat op handen en knieën
wel helpt om een boordje weg te werken. Ik kan me niet echt een andere houding
voorstellen dan rechtstaand, maar probeer toch even. Leunend op het bed,
roepend, haast huilend tussendoor. Ik begin zowaar zelfmedelijden te krijgen.
Koen maakt stomme grapjes. Ik ben me wel bewust van al die mensen rond me maar
tegelijk ook niet. Die houding ligt me inderdaad niet en ik wil terug naar
‘mijn aanrecht’. De harttoontjes blijven goed, flink baby’tje. Ik besef nu
weer volop waarom een bevalling toch iets is om tegenop te zien. Dit doet echt
pijn. Maar het kan nu toch niet meer lang duren? Of ik het al meer voel duwen?
Misschien. Sofie onderzoekt me terwijl ik recht sta. Of ik kan mee duwen bij de
volgende wee. Dit doet geen deugd maar ik weet dat het wel efficiënt is. Ik
voel nog niet die onmiskenbare persweeën zoals bij Anna, maar toch. En vooral
word ik moe, ik wil gaan zitten.
We
verhuizen naar de baarkruk. Even organiseren. Koen wil graag ons kindje
opvangen. Niek had daarover gesproken tijdens ons eerste bezoek en dit was
blijven hangen. Marieke stelt onmiddellijk voor achter mij te komen zitten. Een
wee, en persen. Ja, het doet pijn, maar het lukt wel. Alleen moet Koen
stilzitten en niet zo duwen tegen m’n voet. En dan nog even beter organiseren:
ik zit uiteindelijk goed, Koen op het kinderstoeltje, Helma en Sofie
ondersteunen elk een voet, Niek ziet dat het goed gaat en… neemt foto’s! Er
worden zelfs grapjes gemaakt, over Koen die z’n schoenen moet afdoen en de al
dan niet steriele doeken.
Ik
ben tegelijk afgesloten van wat rond me gebeurt en toch heel alert. Of de baby
goed zit, vraag ik een paar keer. Ik bedoel daarmee of het geen sterrenkijkertje
is, maar dat heeft niemand door, vermoed ik, want ik hoor alleen maar iemand
‘jaja’ zeggen. Alweer een wee, ik pers en pats, dat voelt verrassend aan, de
vliezen breken. Of het vruchtwater helder is? Ja, en dat is goed. Het warme
vruchtwater dat naar buiten vloeit, tempert de pijn. Even dan toch, want persen
is door de pijn heen gaan. Maar het koude washandje tussendoor doet toch zo’n
deugd. Ik herinner mij vooral ook de vele aanmoedigingen: ‘heel goed’ – en
dat ongetwijfeld dankzij de o zo goede raad: ‘blaas je kindje naar buiten’.
Naar buiten blazen… zo eenvoudig kan het zijn. Marieke informeert of het
hoofdje al te zien is. Persweeën zijn zo ongelooflijk krachtig, je kunt er niet
om heen en ik voel ontzettend goed hoe het hoofdje naar beneden schuift. Ik voel
en weet dat het goed gaat. ‘Voel eens aan het hoofdje’ – ik durf bijna
niet – bang omdat bewegen nog meer pijn zou doen? om uit de roes van de
bevalling te geraken? – maar ik voel toch, even maar, heel snel en het voelt
zo zacht aan, net een verlengde van mijn eigen huid. Het is onwezenlijk wanneer
na ongeveer vier weeën het hoofdje er is. Ontlading, ik hoor zeggen dat de
navelstreng goed zit. En daarna - de wee is over – een intense minuut van
stilte waarin ik iets heel bijzonder hoor: het gekerm van onze baby. Maar de
pijn blijft en ik voel geduw en gefriemel en dat doet geen deugd. [Achteraf
verneem ik dat Pepijn zich toen flink aan het afzetten was in mijn buik.] Of we
samen aan mijn buik gaan voelen, vraagt Marieke. Zou ik niet te hard op haar
duwen? Door mijn hoofd flitst de vraag of ze de baby er niet gewoon verder
kunnen uittrekken. Maar ik moet alweer persen, of beter, zachtjes blazen –
zoals gevraagd, en ook hiervoor is nog haast evenveel kracht nodig als bij het
hoofdje.
Had
Marieke niet gezegd: ‘kijk maar naar je baby’, dan had ik gewoon achteruit
gaan leunen om echt uit te blazen. Mijn baby, ik merk nog net hoe haast een
hoopje mensje op m’n buik wordt gelegd… Eerst zien, een paarsig gezichtje,
beetje gezwollen. Omdat je navelstreng niet zo lang is, kan ik jou nog niet
helemaal tot bij me nemen. Dan maar ruiken, zo intens, die weeë geur, bijna
zoet. En dan voelen, dicht bij me, je bent zo warm – en op de kachel gewarmde
doeken houden je zo. Dan tellen, net of dat mijn referentie is of jij gezond
bent… tien vingertjes. Daarna horen. Je ademt luid. En wenen kan je ook… het
is niet eenvoudig, geboren worden. En kijken, oogjes zoeken elkaar wanneer je
even stilvalt met wenen.
‘Er
zijn nog zekerheden in het leven’, daarmee kan papa verhinderen dat Helma zelf
de navelstreng doorknipt. De moederkoek wordt snel geboren.
Ik
heb maar heel even het gevoel dat de wereld stilstaan. Misschien is het omdat
vele helpende handen rond me ervoor zorgen dat alles loopt zoals het verder
hoort te lopen? Misschien omdat Koen iedereen verschalkt door haast onmiddellijk
na de geboorte meteen het geslacht en de naam te verklappen? Misschien omdat we
al gauw van de baarkruk naar het bed verhuizen? Of misschien, kleine lieve
jongen, omdat dit gewoon zo is met jou, alles is zo vanzelfsprekend, zo evident,
net of je er altijd al bent geweest.
Kleine
lieve jongen, een jongen? En ik die dacht dat het een meisje was. ‘Kijk maar
eens tussen de beentjes’, zegt Marieke. Inderdaad, een jongentje, een zoontje,
een broertje… prachtig… en vanaf die seconde bij jij er en is het nooit
anders geweest. Wat zal Korneel ook in de wolken zijn.
Koen
komt al gauw dicht bij ons. Alweer gelijk, die papa… jouw papa, zijn handen
zijn de eerste die jou hebben aangeraakt, opgevangen, de wereld ingedragen. Dat
alleen al maakt jou en jouw geboorte nog meer bijzonder. Ons ukje, klein ventje,
alles in het klein, je weent wel hard, maar we besnuffelen en ontdekken jou
verder samen. Oef, je bent er en het is vlot gegaan, prachtig verlopen. Het
wachten is op slag vergeten, de euforie tempert de nog nazinderende pijn. Kindje
van ons, je bent hier geboren, wat een geluk, wat een geschenk. In ons huis,
jouw thuis, verankerd ben je hier, om stevig te kunnen groeien. In een oud huis,
maar met vele en grote ramen om ver naar de horizon en in de toekomst te kunnen
kijken.
Eerst
zien, dan ruiken, voelen, tellen, horen, kijken… om dan nooit meer los te
laten. En eindeloos te koesteren. Pepijn, Pepijntje, Pepino… welkom, Korneel
en Anna verwachten jou ook, we zijn dolgelukkig met jou.
Je
bent een flink baasje, met sterke schoudertjes en dat zal ik geweten hebben.
‘Alles wat nu volgt is niet leuk’, zegt Niek. Dat weet ik, het hechten van
de knip(pen) na de geboorte van Korneel staat me nog al te goed in het geheugen.
Waarvoor het bed niet allemaal goed voor is… maar blijkbaar toch niet goed
genoeg. De scheur is te groot en we moeten naar het ziekenhuis. ‘Samen uit,
samen thuis’: iedereen gaat mee. Ik voel niet echt een grote ontgoocheling,
wat moet, moet gebeuren. En het lijkt een beetje een circus, een kattewasje, op
pantoffels, Pepijntje in een deken en hop, we zijn weg.
In
het AZ verwacht men dit gekke ‘transport’. Gelukkig, iedereen is
vriendelijk, het is er rustig en de ruimtes zijn mij niet onbekend… De
assistent heeft de spuit al in de hand, maar de gynaecoloog beslist anders:
volledige verdoving. Ik wil vooral geen epidurale verdoving, wantrouw ook wel de
narcose, maar verder blijf ik ontzettend rustig. Ik beleef dit alles gewoon nog
in de roes van de bevalling, vermoed ik. En verder wil ik gewoon dat Koen de
hele nacht bij ons blijft. Pepijn slaapt als een roosje maar ik beleef keer op
keer de film van zijn geboorte opnieuw. We zijn heel gelukkig wanneer we op
zondagmiddag naar huis kunnen vertrekken.
‘De
mooiste film van mijn leven’: Koen is heel erg onder de indruk van jouw
geboorte. Deze ontzettend mooie ervaring blijft nog dagen nazinderen en kleurt
de eerste weken van onze kraamperiode. De vanzelfsprekendheid waarmee jij
geboren bent, Pepijn, draag je helemaal mee in jou. Je straalt zoveel rust en
geluk uit. Jouw papa blijft de eerste drie weken bij ons, het zomert en we
genieten van deze gelukzalige periode. En toch komt er ook nu weer verdriet in
jouw en ons leven. Je bent precies drie weken wanneer we afscheid nemen van Ono,
een achterneefje van jou – gestorven in de buik van z’n mama enkele dagen
voor hij zou geboren worden. Je belichaamt voor de familie wat die kleine Ono
ook zou kunnen geworden zijn. En wij zijn ons eens te meer bewust van al ons
geluk.
Zo
snel als je vergeet hoe het is om een baby te hebben, zo snel komen al de
herinneringen terug. En de onvoorwaardelijke moederliefde: je bent de
allermooiste en ik kan urenlang naar jou kijken. De zelfzekere manier waarop je
drinkt aan de borst, de vuistjes in de lucht wanneer je voldaan bent, de oogjes
die wegdraaien bij het inslapen, jouw grimasjes, het kreunen, knorren, piepen,
je alerte blik wanneer je mij hoort, de rust die je uitstraalt in bad, de manier
waarop je je uitrekt, het zalige slapen… Je bent één uit de duizend. En al
zou ik dit voor eeuwig willen blijven houden, ik kijk er zo naar uit om jou te
zien opgroeien. Klein wondertje, allerliefste Pepijntje!